Veilig voor jou, gezond voor mij: wie is de expert?
Matthijs Fleurke

Matthijs Fleurke

Docent sociologie en ethiek, Lectoraat Mantelzorg en opleiding Voeding en Diëtetiek, De Haagse Hogeschool

2141 keer bekeken

 reacties

Een gezond wantrouwen is best handig in deze tijd van alternative facts, nepnieuws en trolls. Gelukkig hebben we de objectieve wetenschap nog zou je zeggen, maar er zijn zorgen dat het vertrouwen daarin ook wel wat beter kan. In een tweeluik werpt Matthijs Fleurke licht op oorzaken van het soms gebrekkige vertrouwen in voedingswetenschap. Vandaag deel één.

Het Rathenau Instituut deed onderzoek (de Jonge, 2015) waaruit blijkt dat de wetenschap koploper is in gesteld vertrouwen; het is hoger dan in andere gemeten instituties zoals de rechtspraak, media, regering of grote bedrijven. Die grote bedrijven zijn de verliezer met de laagste score; 20% van de ondervraagden zou een 7 of hoger geven, terwijl 73% de wetenschap een 7 of hoger zou geven. Dat roept, tussen haakjes, natuurlijk direct de vraag op hoe het met het vertrouwen zit als de koploper gaat samenwerken met de verliezer (grote bedrijven), iets wat in de voedingswetenschap regelmatig gebeurt (zie bijvoorbeeld Trouw, 18 oktober 2015).

Voedingswetenschap is alledaags, Jan met de pet als expert

Nederland kent evenveel voedingsexperts als het inwoners heeft; iedereen is voedingsexpert. Ik bedoel dat niet ironisch en ik bedoel daar twee dingen mee. Ten eerste is iedereen inderdaad voedingsexpert op individueel niveau omdat ieder mens voor een deel heel goed weet wat het alledaagse voeding met ons alledaagse lichaam en leven doet. Niet op het microniveau van DNA, chemische reacties en hormoonspiegels, maar wel op het – mag ik dat zo zeggen – veel relevantere niveau van kortetermijnfunctioneren van het individuele lichaam en leven.

Voedsel is alledaags: we zien het elke dag, we voelen het elke dag (met de handen, met de mond, in ons lichaam en als het het lichaam weer verlaat). Fysiologisch gezien hebben we het elke dag nodig, maar ook psychologisch gezien (denk aan een gevoel van controle dat iets wel of niet eten kan geven), cultureel gezien (denk aan de verbinding met anderen die je kan voelen als je iets eet uit je eigen cultuur). Voeding is niet alleen een verzameling nutriënten, maar voeding is emotie, het is gewoonte, het is (bij)geloof.

Zo kan een verstokte roker zeggen dat het voor haar gezondheid erg belangrijk is, en kan iemand die elke dag hardloopt en veel groente eet zichzelf ongezond vinden

Eten heeft kortom vele dimensies, waaronder, tot slot, natuurlijk ook een gezondheidsdimensie. Gezondheid vinden we erg belangrijk in de hedendaagse samenleving maar het ingewikkelde is dat ook gezondheid zelf weer een ongelooflijk multidimensionaal begrip is. Iedereen vindt gezondheid belangrijk, maar we verstaan er toch vele verschillende dingen onder en iedereen geeft er een andere invulling aan. Zo kan een verstokte roker zeggen dat het voor haar gezondheid erg belangrijk is, en kan iemand die elke dag hardloopt en veel groente eet zichzelf ongezond vinden. Mijn punt is: al die dimensies van voeding en van gezondheid komen uiteindelijk op een voor iedere cultuur en voor ieder individu unieke manier bij elkaar. En dat maakt juist iedereen tot voedingsexpert.

Ten tweede is iedereen natuurlijk ook een beetje expert omdat via internet alle informatie (feiten en meningen) snel op te zoeken is en via social media snel gedeeld kan worden. Zonder op zoek te zijn naar bepaalde informatie of een bepaalde mening, word je er toch mee geconfronteerd. Hoewel dit natuurlijk ook erg belangrijk is voor het gebrekkige vertrouwen in de voedingswetenschap, kies ik voor nu voor een andere invalshoek.

Voedingswetenschap is specifiek, de voedingswetenschapper als expert

Voedingswetenschap is al complex als het gaat om de onderliggende biologie, chemie of natuurkunde. Maar zodra de voedingswetenschap toegepast wordt, de stap naar consumentenadviezen gemaakt wordt, of normatief wordt over menselijk gedrag, wordt het nóg ingewikkelder.

De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (2013) stelt in haar rapport dat vertrouwen in de wetenschap twee aspecten heeft; één dat de wetenschap het goede doet (oftewel nuttig is) en twee dat de wetenschap dat goede ook goed doet (dus met een wetenschappelijke methode en integer). Ik denk dat dit beeld klopt, maar dat er een derde aspect aan toegevoegd moet worden: de mate waarin wetenschap adviezen geeft of normen stelt over ons alledaags leven. Hoe alledaagser en hoe meer multidimensionaal het betreffende aspect uit het leven, hoe meer wantrouwen of weerstand jegens adviezen of normen daarover zal bestaan.

Wetenschappelijk onderbouwde normen en adviezen over zulke activiteiten zullen wantrouwen en weerstand oproepen

Ik zal proberen uit te leggen wat ik bedoel. Eten is, zoals ik hierboven heb betoogd, een activiteit die heel alledaags is én die bestaat uit meerdere dimensies. Wetenschappelijk onderbouwde normen en adviezen over zulke activiteiten zullen wantrouwen en weerstand oproepen. Dat komt omdat consumenten enerzijds elke dag meerdere malen (het alledaagse karakter van eten) met die normen geconfronteerd worden. Anderzijds komt dat omdat eten niet alleen een gezondheidsdimensie heeft. Consumenten eten niet alleen omdat het gezond is, of alleen omdat ze eten nu eenmaal nodig hebben, of alleen omdat eten plezier geeft, of alleen omdat het past binnen een bepaald cultureel systeem. Eten is juist een ingewikkeld samenspel van al die dimensies. Wetenschappelijk onderbouwde normen en adviezen over voeding, die vrijwel altijd op gezondheid (maar wel een specifieke invulling daarvan), betrekking hebben, doen dus eigenlijk per definitie dit alledaagse en multidimensionale karakter van eten tekort.

Met andere woorden: we worden elke dag meerdere malen per dag met die normen geconfronteerd (het alledaagse karakter) en die normen lijken nooit helemaal in ons leven te passen (de normen hebben één dimensie, namelijk een specifieke invulling van gezondheid, terwijl ons eten vele dimensies heeft). Die twee dingen lijken mij een ideaal recept voor wantrouwen en weerstand.

Wetenschap stelt normen voor producent en consument

Er zijn overeenkomsten en verschillen tussen de wetenschap die zich bezig houdt met voedselveiligheid en wetenschap die zich bezig houdt met voedingsadviezen en -richtlijnen. Een verschil is dat de eerste zich vooral richt op de voedselproducent, en de tweede vooral op de voedselconsument. Een overeenkomst is dat beide normen stellen; wetenschap die zich bezig houdt met voedselveiligheid stelt vooral normen aan voedselproducenten (voor bijvoorbeeld maximale concentraties aan bepaalde stoffen) en wetenschap die zich bezig houdt met voedingsadviezen en -richtlijnen stelt normen aan de consument (voor bijvoorbeeld hoeveelheden aan voedingsstoffen; minimaal 35 gram vezels per dag, maximaal 10 procent uit verzadigd vet).  

Hoewel er dus verschillen zijn, stellen beide vormen van wetenschap uiteindelijk richtlijnen over ons eten. De Gezondheidsraad stelt normen op, maar dat doet het RIVM en de EFSA ook. Daarmee zeggen wetenschappers dus of voeding in hun ogen (on)gezond en of (on)veilig is. Het RIVM kan zeggen dat ons voedsel nog nooit zo veilig is geweest, maar de vraag is of mensen dat ook vinden; het potentieel onveilige eten ligt toch op mijn bord en het gaat toch over mijn gezondheid?


  1. Jonge, J. de (2015). Vertrouwen in de wetenschap 2015, Den Haag, Rathenau Instituut
  2. KNAW (2013). Vertrouwen in wetenschap. Amsterdam.
  3. Kooiker, S., Hoeymans, N. (2014). Burgers en gezondheid. Themarapport volksgezondheid toekomstverkenning 2014. Bilthoven, RIVM
  4. Trouw (2015). Ons voedsel ongezond en onveilig? Broodje aap!, Trouw, 18 oktober 2015

Het gesprek