Wat doet een aardbeiteler bij een luizen-, spint-, of tripsplaag?

3806 keer bekeken

 reacties

Een partij Nederlandse aardbeien werd bestempeld als zes keer giftiger dan ander fruit vanwege de hoeveelheid verschillende gewasbeschermingsmiddelen die werd aangetroffen. Wat zegt dit over de Nederlandse land- en tuinbouw? Wij wilden meer weten over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en waarom de Nederlandse aardbeien meer stofjes droegen.

Waar hebben we het over

“Uit steekproeven naar diverse soorten groenten en fruit die vorig jaar zijn genomen door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) blijkt dat elke aardbei is bespoten met gemiddeld zeven tot acht schadelijke stoffen” schreef dagblad Trouw vorige week. Het gevolg: de consument wordt gelijktijdig blootgesteld aan diverse schadelijke stoffen. Diverse partijen spreken zich kritisch uit over dit ‘cocktaileffect’. Onderzoek naar nieuwe meetmethoden door EFSA gaat volgens hen niet snel genoeg, regelgeving moet worden aangepast, de NVWA moet harder optreden. Anderen geven aan dat er geen extra risico’s zijn bij gecombineerde blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen.

Aardbei is “ziekte- en plaaggevoelig”

De aardbei is een zacht kruidachtig gewas met een lange teeltduur, waardoor er relatief veel ziekten en plagen voorkomen; de kans dat er iets op vliegt is groter dan bij planten met een korte teeltduur, en daarnaast is het zachte weefsel voor insecten heerlijk makkelijk om doorheen te prikken. Ook het klimaat vormt een serieuze bedreiging voor de vrucht. Bij buitenteelt is de teler afhankelijk van het buitenklimaat; door sterk wisselende invloeden van koude, warmte en vocht zitten de schimmels Meeldauw of Botrytis er zo in. In de kas is er meer controle door middel van klimaatregeling, maar ook daar is de kans op plagen aanwezig.

Biologisch bestrijden is de norm

Wat doet een teler wanneer zijn aardbeien geteisterd worden door een luizen-, spint-, of tripsplaag? “Biologisch is de norm, dat zie je in alle groente- en fruitsectoren. We proberen een plaag zoveel mogelijk te bestrijden met hun natuurlijke vijanden, bijvoorbeeld de roofmijt, roofwants en sluipwesp,” legt Helma Verberkt van LTO Glaskracht Nederland uit.

Jaarlijks worden in de glastuinbouw zo’n 15 tot 16 miljard insecten ingezet voor de biologische bestrijding

Op aardbeibedrijven in Nederland wordt vijf keer meer geïnvesteerd in biologische bestrijdingsmethoden ten opzichte van chemische bestrijdingsmiddelen. Jaarlijks worden in de glastuinbouw zo’n 15 tot 16 miljard insecten ingezet voor de biologische bestrijding, voor alle vruchtgroente geldt dat 90% biologisch wordt aangepakt. De teler monitort wekelijks via signaalplaten en dagelijks in het gewas hoeveel insecten er op z’n gewassen zitten, dan weet hij of de plaag toe- of afneemt. Soms worden er extra natuurlijke vijanden ingezet, bijvoorbeeld als de temperaturen sterk omhoog gaan, of midden in de oogstperiode van een ander gewas. Luizen verplaatsen zich nog weleens van het ene gewas naar het andere. Verberkt: “Steeds meer telers brengen ook extra voedsel in voor de natuurlijke vijanden, zodat ze in de buurt zijn en klaar staan als de trips of luis in het gewas komt.”

Maar bio is niet altijd genoeg

“Soms is de biologische aanpak niet voldoende, bijvoorbeeld als de trips (red. plaag) zo sterk is dat de roofmijten en -wantsen (red. natuurlijke vijanden) het niet aankunnen. Dan worden gewasbeschermingsmiddelen ingezet, te vergelijken het met medicijnkastje bij mensen.” Maar hoeveel gebruikt een teler dan van zo'n middel? Die aanpak is volgens Verberkt de laatste jaren sterk veranderd. “Voorheen werd gewerkt met breed werkende middelen, dat zijn middelen die álles doden. Tegenwoordig gebruiken alle sectoren selectief werkende stoffen: gewasbeschermingsmiddelen die specifiek gebruikt worden voor een bepaalde plaag of ziekte, in veel lagere hoeveelheden. We willen namelijk alleen de trips doden, niet de roofmijt of -wants.” 

Daarnaast moet de teler rekening houden met insecten die resistent worden tegen een bepaald middel.  Het mag dus niet te vaak toegediend worden en moet worden afgewisseld met verschillende middelen. “Dit leidt helaas tot meerdere stoffen op de producten, echter van stoffen met een lage milieu-impact en in heel kleine hoeveelheden.”

Deze nieuwe aanpak betekent dat de teler de ene keer moet bestrijden met een beetje van het ene middel, en de andere keer met een ander. Dit is de reden dat er op aardbeien uit Nederland residuen van meer verschillende stoffen gevonden kunnen worden, ten opzichte van aardbeien van buiten de Europese Unie waar nog gewerkt wordt met breedwerkende middelen. “Die middelen doden niet alleen de luis en trips, maar ook de roofmijten en roofwantsen en zelfs de hommels en bijen die wij hier gebruiken voor de bestuiving. Het zijn stoffen die we in Nederland absoluut niet meer willen gebruiken.”

Sterker nog, het zijn stoffen die in heel Europa in de nabije toekomst niet meer gebruikt mogen worden. Het uitfaseringsproces is in volle gang, en daar doet de Nederlandse tuinbouw voor zichzelf graag een schepje bovenop. Verberkt: “Restwater moet bijvoorbeeld gezuiverd worden voordat het in het riool komt, er moeten specifieke doppen gebruikt worden in de buitenteelt zodat er niks meer in de sloten terecht komt, en ook worden zones ingericht waar geen gewasbeschermingsmiddelen gespoten mogen worden.”

We willen de mogelijkheid verkennen om het teeltsysteem van de aardbei te herontwerpen om te telen zonder emissie en residu

Voorloper op het gebied van voedselveiligheid

De Nederlandse tuinbouw wil voorloper blijven op het gebied van voedselveiligheid. Dan moet je nieuwe dingen durven doen, zegt Verberkt. “De sector zoekt samen met de overheid naar andere vormen van teeltsystemen. We willen de mogelijkheid verkennen om het teeltsysteem van de aardbei te herontwerpen om te telen zonder emissie en residu, daar hebben we gister tijdens een bijeenkomst de eerste stappen voor gezet. Daarnaast hebben de aardbeitelers eigen financieringsmogelijkheden met elkaar opgesteld om zo nieuwe onderzoeken te financieren voor een duurzame teelt. Dat alles om voorop te kunnen blijven lopen.”

Of er ook wordt gekeken naar een toekomst zonder gewasbeschermingsmiddelen? “Ja, daar zijn we ook mee bezig,” aldus Verberkt. “Niemand gebruikt graag gewasbeschermingsmiddelen, het liefst zouden we het helemaal niet doen. Maar een teler wil kwaliteit leveren en oogstzekerheid hebben.”

Bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen mag er geen risico zijn voor mens, dier en milieu

Voordat een gewasbeschermingsmiddel op de Nederlandse markt wordt toegelaten, wordt deze beoordeeld door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (CtgB). Dit college beoordeelt de mogelijke risico’s voor mens, dier en milieu. Als het CtgB besluit een middel toe te laten, wordt een wettelijk gebruiksvoorschrift opgesteld welke op het etiket staat. Iedere gebruiker moet volgens dit voorschrift handelen. Telers die de middelen professioneel en op grote schaal willen gebruiken, hebben hier zelfs een bewijs van vakbekwaamheid voor nodig.

Maar hoe worden de telers gecontroleerd dat ze niet te veel middel gebruiken? Vanuit de overheid controleert de NVWA: telers moeten in de gewasbeschermingsmonitor exact beschrijven wat ze gebruikt hebben en hoeveel, wanneer en op welk perceel. Daarbij kijkt de NVWA ook naar de inkoop en het gebruik, deze moeten aan elkaar matchen.

Supermarkten stellen strengere eisen dan de wetgeving voorschrijft, zij willen per middel een residu dat veel lager ligt dan de wettelijke norm

Maar, volgens Verberkt is de controle vanuit de markt misschien nog het meest leidend. “Supermarkten stellen strengere eisen dan de wetgeving voorschrijft, zij willen per middel een residu dat veel lager ligt dan de wettelijke norm. Om dit te controleren, nemen ze zelf monsters van de vruchten en meten ze de hoeveelheid residu van een gewasbeschermingsmiddel. Dat doen telers zelf ook. Daarnaast vinden op de bedrijven dagelijks kwaliteitskeuringen plaats en wekelijks door een onafhankelijke instantie. Als ze boven de Maximale Residu Limiet (MRL) zitten, mogen de vruchten sowieso niet verkocht worden. “Geen enkele teler wil dat hij boven zijn afzetnormen zit. In de onderzochte monsters bij de retail waar deze discussie om gaat is gemiddeld slechts 6% van de wettelijke MRL norm gevonden.”

Al 15 jaar discussie

Het cocktaileffect, of stapeleffect, daar is al 15 jaar discussie over. “Dat was ook de reden waarom de EU in 2005 in de wetgeving heeft opgenomen dat er modellen ontwikkeld moeten worden die het makkelijker maken een risico inschatting te maken,” zegt Nicolette Quaedvlieg van GroentenFruit Huis. "De EFSA is hier momenteel mee bezig, en daar werken de Nederlandse organisaties RIVM, CtgB en de WUR hard aan mee. De Nederlandse groente- en fruitsector ook, door gegevens aan te leveren die gebruikt kunnen worden in het onderzoek. We zijn absolute voorstander van dat die modellen er eindelijk komen, en dat deze worden gebruikt bij toelating, toepassing en handhaving. Hopelijk, zijn we dan van deze discussie af waarbij steeds twijfel wordt gezaaid over de veiligheid van wettelijke normen. En dat iedereen vooral geniet van  lekkere en ook nog gezonde groente en fruit” 

Over de stand van zaken van het onderzoek, daar kan Coen Berends van het RIVM nog weinig over zeggen: “We hebben onlangs onze resultaten opgestuurd naar de EFSA, zij gaan nu aan de slag met het verwerken en analyseren daarvan.”

Verberkt had het prettig gevonden als de sector direct was gevraagd over de aangetroffen stoffen, zodat zaken op een constructieve manier besproken hadden kunnen worden. Want wat wint het nu bij de consument, ratio of emotie? De aardbeienkwestie en de fipronil affaire overeenkomstig noemen is volgens haar appelen met peren vergelijken. “In dat geval is een delict gepleegd, in ons geval heeft men keurig binnen de wetgeving gewerkt en is men zelfs ver onder de wettelijke norm gebleven, door actief te werken aan duurzame productie van lekkere en gezonde aardbeien.”

Het gesprek