Eten uit een voedselbos
Anouk Broersma

Anouk Broersma

journalist

Het voedselbos is in opkomst in Nederland: duurzaam voedsel produceren in een natuurrijke omgeving. Om te zien hoe dat er in de praktijk uitziet, ging Nederland Voedselland langs bij voedselbos Ketelbroek in Gelderland. Waar we zelfs een ‘Franse uiensoep-boom’ tegenkwamen. ‘De eerste 15 jaar verwachtten we niet aan het bos te verdienen. Dat is mislukt, we zijn er wél aan gaan verdienen.’

‘We kunnen alle typen weer krijgen, maar eigenlijk is regen best welkom’, zegt Wouter van Eck aan de start van de groepsrondleiding door zijn voedselbos Ketelbroek. Het is een droge periode geweest en in het voedselbos krijgen alleen nieuw aangeplante soorten soms extra water. Verder krijgt de natuur zoveel mogelijk vrij spel; weersveranderingen horen erbij. 

Toch is zorgvuldig nagedacht over het basisontwerp van het bos, blijkt als we Van Eck volgen over de smalle paadjes langs bessenstruiken en fruitbomen. Zo biedt een rij elzen langs de rand van het bos beschutting tegen wind en zon, om kwetsbaardere planten letterlijk uit de wind te houden. Voor veel soorten draait het om ‘JP JP’ vertelt Van Eck: ‘Juiste Plant op de Juiste Plek’.

Rationeel en romantisch deel

Vooraan op het terrein is dat vrij ordelijk gebeurd. In dat ‘rationele deel’, zoals van Eck het noemt, kunnen plukkers langs nette rijen planten lopen. Verderop in het bos komen we in het ‘romantische deel’, waar de natuur nog meer zijn eigen gang gaat en alles minder overzichtelijk is. Alleen degene die het bos op zijn duimpje kent, vindt hier een specifieke bessenstruik eenvoudig terug.

Wouter van Eck in zijn voedselbos.

In totaal staan er meer dan 300 verschillende boom- en plantsoorten in het bos, waar allerlei lekkers aan groeit. Van hazelnoten, kastanjes, appels en bramen tot exotischer voedsel zoals Aziatische nashi-peren en bamboe. Of neem de ‘Franse uiensoep-boom’, waarvan de bladeren naar uiensoep smaken. In Nederland vrij onbekend, maar in China staat het al eeuwenlang als groente op het menu.

Landschapspijn

Het was 2009 toen Van Eck en zijn zakenpartner Pieter Jansen stuitten op een voormalige maisakker van 2,42 hectare die te koop stond. Ze wilden op het terrein net buiten Groesbeek, vlakbij de Duitse grens, bomen en struiken inzetten voor voedselproductie. ‘Dat was deels een theoretisch idee en deels gebaseerd op wat we in Afrika hadden gezien. Daar heb je bossen waar allerlei voedsel groeit, zoals mango en papaja. Dat zorgt voor een oase van biodiversiteit, het zit er vol leven.’ Overal vogelgekwetter en zoemende insecten, dat zou hij in Nederland ook graag terugzien. ‘Hier hebben we landschapspijn: insecten en vogels verdwijnen van het platteland. Soorten als margrieten, pinksterbloemen en zelfs paardenbloemen zie je tegenwoordig niet meer in de velden. Liefst zou ik zien dat landbouw en natuur samen opgaan en elkaar versterken. Lukt dat, dan krijg je meer ruimte voor beide.’

Dit is de ‘Franse uiensoep-boom’, waarvan de bladeren naar uiensoep smaken.

Op Ketelbroek is het in ieder geval gelukt. Het bos groeide afgelopen jaren uit tot het bekendste voedselbos in Nederland en inspireerde allerlei enthousiastelingen tot vergelijkbare projecten. Er zijn nu tientallen kleinschalige voedselbossen, zowel in natuurgebieden als bij boeren die ermee experimenteren op een vrij stukje van hun grond. Een enkeling besluit het boerenbedrijf zelfs helemaal om te toveren tot voedselbos, zoals onlangs bij een melkvee-familiebedrijf in Limburg gebeurde. In Schijndel ging vorig jaar de schop in de grond voor het grootste Nederlandse voedselbos tot nu toe, van zo’n 20 hectare. Dat project, waar Van Eck ook bij betrokken is, moet vragen gaan beantwoorden als: is een voedselbos op grotere schaal kansrijk? Is dit een manier om duurzaam voedsel te produceren én biodiversiteit te vergroten? En valt er een boterham mee te verdienen?

Bessen in het voedselbos.

Van Eck en Janssen startten hun experiment in Gelderland met eigen spaargeld en een zachte lening. Zijn baan hield Van Eck nog even aan. ‘De eerste 15 jaar verwachtten we er niet aan te verdienen. Dat is mislukt, we zijn er wél aan gaan verdienen’, lacht van Eck. Maar, geeft hij toe: pas na een aantal jaren, wat een drempel kan zijn om een voedselbos te starten. ‘De soorten moeten eerst groeien, daarna stijgen de inkomsten per jaar.’

Brandnetels

We staan op een open ruimte middenin het voedselbos als het begint te regenen. Onverstoorbaar halen alle bezoekers hun regenjassen en paraplu’s tevoorschijn, waarna een vragenrondje in de stromende regen begint. Van Eck vertelt over verschillende plantensoorten, over hoe hij al doende leerde wat wel en niet werkt, en over zijn klanten. Sommige bossen zetten de poort open voor iedereen die zelf wil komen plukken, maar Ketelbroek werkt samen met drie vaste afnemers uit nabijgelegen Nijmegen. Chef-kok Emile van der Staak van restaurant De Nieuwe Winkel komt elke maandag langs en oogst dan samen met Van Eck de producten waarmee hij wil koken. Daarnaast maakt brouwerij Nevel biertjes met fruit uit het bos en liggen de appeltjes soms in de schappen bij biologische supermarkt Ecoplaza. Ook ander fruit gaat weleens naar de supermarkt, al blijkt niet alles een commercieel succes. Van Eck: ‘We leverden eens mispel. Die vrucht is het lekkerst als hij er gerimpeld en rot uitziet, maar dat verkocht dus niet. Dat hadden we misschien moeten combineren met een proeverij.’

Kijk, dit is een pijnboom. De eerste pitten worden over 30 jaar verwacht.

Van Eck is verbaasd dat niemand vraagt naar de brandnetels waar we net langsliepen. Ze waren inderdaad niet te missen, rijen dik en soms wel twee meter hoog staan ze langs het smalle wandelpaadje. Vijf jaar geleden was het daar nog een zee van akkerdistels, vertelt Van Eck. Die liet hij maar gewoon staan, want ‘distels trekken, is distels stekken’. Na een aantal jaar vergingen ze uit zichzelf, en maakten plaats voor brandnetels. Ook dat laat Van Eck op zijn beloop. ‘Dat ze er groeien, geeft aan dat het vruchtbare grond is voor gewassen. Daarnaast zijn zo’n veertig insecten één op één afhankelijk van de brandnetel. Rupsen van de dagpauwoog zitten bijvoorbeeld alleen op brandnetels.’ En insecten die op brandnetels afgaan, gaan níet op de appelboom zitten. Win, win. Verder zijn ze eetbaar en geven hoge brandnetels beschutting. Van Eck: ‘Ik ben ervan gaan houden, maar binnenkort moet ik weer afscheid nemen. Ik kan zien dat het er al minder zijn dan vorig jaar.’

Een plaagbestrijdende pad

Zo is het voedselbos constant in beweging. Soorten komen en gaan, en alles houdt elkaar in een natuurlijk evenwicht. Vogels komen op de insecten of het fruit af, die op hun beurt weer roofdieren aantrekken. Een deel van Ketelbroek is natte natuur, aangelegd in samenwerking met het waterschap voor waterbeheersing. Daar groeien geen eetbare soorten, maar zitten wel ‘bondgenoten’ zoals de pad. Van Eck: ‘Die eet alle insectensoorten, net wat hem voor de bek komt.’ Dat is meestal de meest voorkomende soort, waardoor de pad helpt bij plaagbestrijding.

‘Kijk, dit is een pijnboom. De eerste pitten worden over 30 jaar verwacht’, grapt Van Eck als hij ons even later door een gedeelte vol bomen en dichte begroeiing loodst en van alles aanwijst. Geduld is een belangrijke eigenschap voor een voedselbosbouwer, al neemt gelukkig niet elke soort zo lang de tijd als de pijnboom. Wat een voedselbosbouwer níet nodig heeft, is veel tijd voor onderhoud. Soms snoeit Van Eck wel wat, bijvoorbeeld als bramenstruiken zo welig woekeren dat het terrein onbereikbaar wordt. Maar verder probeert hij zo min mogelijk te doen. ‘We hebben in het verleden weleens fouten gemaakt door wél onderhoud te plegen. Dan haalden we distels weg bij bessen, maar bleken de bessen het beter te doen op plekken met distels. Die beschutting hadden ze nodig.’

Een mozaïeklandschap

Voedselbossen zullen de complete productie van plantaardig voedsel niet overnemen, maar kunnen er volgens Van Eck wel een grotere rol in spelen. ‘Ik blijf ook bloemkool of patat eten, dat komt niet uit het voedselbos. Je hebt een mozaïeklandschap nodig, een voedselbos kan een groter deel van het menu leveren. In het begin slechts genoeg voor een klein deel van de bevolking, gradueel kan dat groeien.’