Financiering, perceptie en impactvolle resultaten: de uitdagingen van wetenschappelijk onderzoek
Met het oog op een groeiende wereldbevolking en een stijging in welvaartsziektes groeit de vraag naar innovaties in de manier waarop voedsel wordt geproduceerd en geconsumeerd. Daarvoor is wetenschappelijk onderzoek nodig. Maar zonder geld geen onderzoek. En dat geld vinden is zo makkelijk nog niet. Er zijn altijd meer onderzoeksvoorstellen dan dat er geld beschikbaar is. Een deel van dat geld komt bovendien van bedrijven, wat soms voor gefronste wenkbrauwen zorgt. Tel daarbij op dat er vanuit de wetenschap zelf aangestuurd wordt op snelle en impactvolle resultaten, en je begrijpt dat het beroep voedingswetenschapper met de nodige uitdagingen gepaard gaat.

Met het vertrouwen in de wetenschap zit het op zich wel snor: volgens driejaarlijks onderzoek van het Rathenau Instituut scoort de wetenschap van alle instituties het hoogste cijfer, namelijk een 7,1. Het merendeel van de Nederlanders gaat ervan uit dat wetenschappers zorgvuldig te werk gaan, dat ze te vertrouwen zijn en dat ze deskundig, objectief en onafhankelijk te werk gaan. De politiek en grote bedrijven krijgen een veel lager cijfer: een 5,4. Zij scoren het laagst als het gaat om vertrouwen. Het is dan ook niet zo gek we met onze wenkbrauwen fronsen als wetenschappers en het bedrijfsleven samenwerken. Meer dan een derde van de Nederlanders denkt dat onderzoeksresultaten dan worden aangepast, zodat ze gunstig uitpakken voor de bedrijven die geld in het onderzoek hebben gestopt.  

Dat sentiment is wellicht alleen maar bevestigd door berichtgeving in de media de afgelopen jaren, bijvoorbeeld over de Diederik Stapel-affaire en de p-hacking van Brian Wansink (net zolang naar data kijken totdat er iets interessants te melden is). En recent de uitzending van Rambam, waarin de programmamakers twee hoogleraren benaderden met het verzoek om tegen betaling gunstige onderzoeksresultaten te publiceren over een fictief energiedrankje. De uitzending deed voorkomen dat de hoogleraren omkoopbaar waren. Later bleek dat onwaar: de programmamakers hadden met knip-en-plakwerk uitspraken uit hun context gehaald. Ze boden hun excuses aan, maar in de publieke opinie was het vooroordeel over commercie en wetenschap al bevestigd. Wellicht zonder dat duidelijk is hoe die samenwerking tussen wetenschap en bedrijfsleven nou daadwerkelijk verloopt.

Financiering van wetenschap in Nederland

In Nederland wordt wetenschappelijk onderzoek via drie verschillende geldstromen gefinancierd:

  • Via de rijksbijdrage aan universiteiten, waarvan universiteiten zelf mogen bepalen welk deel zij als onderzoeksgeld inzetten en welk deel als onderwijsgeld.
  • Via instellingen als NWO en KNAW, die geld afkomstig van de overheid als subsidies toekennen aan Nederlandse universiteiten en publieke onderzoeksinstituten, en aan onderzoekers in de vorm van persoonlijke beurzen. Dit zijn voornamelijk persoons- of projectgebonden subsidies.
  • Via commerciële en publieke opdrachtgevers, denk aan bedrijven en NGO’s, maar ook via Europese en internationale organisaties. dit zijn subsidies die project- of themagebonden zijn.

Het overgrote deel van de financiering van wetenschappelijk onderzoek is afkomstig van de overheid, waarvan een deel wordt toegekend door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen (KNAW). De toewijzing van dit onderzoeksgeld gaat op basis van een ‘call for proposals’: wetenschappers en onderzoeksinstituten wordt gevraagd om onderzoeksvoorstellen aan te leveren voor het onderzoek dat zij willen doen binnen een specifiek thema. Deze voorstellen worden beoordeeld door middel van peer review, waarbij onafhankelijke experts de ingediende voorstellen beoordelen. Deze experts zijn gespecialiseerd in het betreffende onderwerp.

Een beoordelingscommissie, ook weer bestaande uit onafhankelijke wetenschappelijke experts die op globaal niveau affiniteit hebben met het onderzoeksgebied en ervaring hebben met het beoordelen van onderzoek, evalueert vervolgens de oordelen afkomstig van de peer reviews en adviseert het bestuur dat de uiteindelijke toekenning doet. Vaak gaat aan het beoordelingstraject nog een pre-selectie vooraf, om zo de referenten, onderzoekers en commissieleden te ontlasten. Op geen enkele manier mag er bij de referenten en leden van het bestuur of de commissie sprake zijn van persoonlijk belang bij een onderzoeksvoorstel.

Competitie voor financiering, ook in voedselland

Een groot deel van de Nederlandse overheidsfinanciering bestaat uit publiek-private samenwerkingen, waarbij niet-overheidspartijen, zoals bedrijven, tegenwoordig vaak 10 procent van de financiering moeten inleggen. Dit maakt het mogelijk om meer geld te genereren voor onderzoek vanuit een beperkt overheidsbudget.

Maar waar bedrijven geld in willen steken, is veel vrijblijvender: dat bepalen ze uiteraard zelf. De wens om (snel) impactvolle resultaten te willen zien, is daarbij een factor. Maar niet elk onderzoeksgebied kan snel met impactvolle resultaten en oplossingen komen, stelt Paul Smeets.

Paul Smeets

Hij is als senior onderzoeker werkzaam bij Wageningen University & Research (WUR). ‘Voedingswetenschappers hebben het probleem dat ze niet een acute rotziekte behandelen. De effecten waar wij onderzoek naar doen hebben los van elkaar geen hoge impact en gezondheidseffecten zijn er vaak pas op de lange termijn.’

Smeets doet onderzoek naar de effecten van voeding op het lichaam door middel van MRI en heeft veel hersenonderzoek op zijn naam staan. ‘Specifiek hersenonderzoek helpt begrijpen hoe mensen voedselkeuzes maken. En als je gezonde keuzes wil bevorderen, moet je eerst snappen hoe dat keuzeproces werkt.’ Dit soort hersenonderzoek levert vaak pas op de lange termijn resultaten op waar de praktijk wat aan heeft. Op dit moment doet Smeets ook veel onderzoek naar maaglediging, enerzijds omdat daar makkelijker geld voor te krijgen is maar ook omdat het dichter bij de interesses van bedrijven ligt. Dit onderzoek is vaak opgezet in meerjarige projecten waar meerdere bedrijven aan meedoen; een innovatie die een individueel bedrijf op korte termijn wenst, kan het immers in het eigen R&D lab vaak wel ontwikkelen.

Er is echt heel weinig geld voor het aantal onderzoekers dat er is.

Het verkrijgen van financiering is echter niet makkelijk, de competitie voor het onderzoeksgeld is namelijk hoog, stelt Ellen van Kleef.

Ellen van Kleef

Ook zij is als onderzoeker verbonden aan de WUR en doet onderzoek naar onze voedselkeuzes, maar kijkt daarbij vooral naar nudging en andere interventies – aanpassingen die mensen aanmoedigen om gezondere keuzes te maken en gezonder te laten eten – in schoolkantines, restaurants en winkels. ‘Er is echt heel weinig geld voor het aantal onderzoekers dat er is. Onderzoek uitvoeren is hartstikke leuk en nuttig om te doen, maar voordat je daadwerkelijk aan de slag kan ben je soms maanden bezig met het schrijven van voorstellen en vinden van co-financiers. De succeskans is tussen de 5 en 15 procent.’ Voorstanders menen dat op deze manier excellentie wordt afgedwongen, maar feit blijft dat veel onderzoekers daardoor veel tijd besteden aan het schrijven van aanvragen en hier vervolgens geen geld voor krijgen. Voor Smeets en Van Kleef is het niet vreemd dat zij in de avonduren en vakanties nog bezig zijn met schrijven.  

Een bedrijf mag een publicatie alleen een paar maanden vertragen om eventuele patentaanvragen te doen. Het kan de publicatie nooit tegenhouden.

Wie betaalt, bepaalt?

Maar hoe zit het dan met de invloed van het bedrijfsleven op de onderzoeksagenda? Wageningen University & Research staat bekend om de samenwerking met het bedrijfsleven. Bij elke samenwerking staat de mate van invloed contractueel vastgelegd. ‘Ons belang als onderzoeker is in de regel: publiceren. Wij willen iets uitzoeken en daar een paper over schrijven,’ zegt Smeets. ‘In onze contracten staat dan ook dat wij het recht hebben om resultaten te publiceren, ongeacht de uitkomst. Een bedrijf mag een publicatie alleen een paar maanden vertragen om eventuele patentaanvragen te doen. Het kan de publicatie nooit tegenhouden.’

Een onderzoeker is altijd vrij om bepaald onderzoek niet te doen. Van Kleef: ‘Ik doe onderzoek naar het stimuleren van gezond eetgedrag en dus richt ik mij op producten die vallen binnen de Schijf van Vijf. Ik wil niet bijdragen aan onderzoek dat ongezonde producten net iets minder slecht maakt of bedrijven helpen die met minimale interventies doen alsof ze gezondheid hoog in het vaandel hebben staan. De kans op health washing [red. iets gezonder doen voorkomen dan het eigenlijk is] vind ik daarbij te groot.’ 

De race om impact

Dat publiceren blijkt echter een heel spel. Want niet alleen overheid en bedrijfsleven sturen aan op snelle impact, ook de wetenschappelijke tijdschriften die onderzoekspapers publiceren, willen vooral de interessante resultaten. ‘Tijdschriften willen ook verhalen verkopen. Iedereen wordt eigenlijk beloond om positieve resultaten,’ zegt Van Kleef. ‘Ik heb weleens een studie gedaan naar het effect van reclame op eetgedrag, en mijn onderzoek toonde aan dat in die specifieke context dat effect er niet was. Ik heb geprobeerd dat te publiceren, maar het bleef door tijdschriften afgewezen worden – de resultaten waren niet interessant genoeg, omdat de impact ervan te laag was.’ Hoe meer impact een studie heeft, hoe interessanter het dus is voor de ‘hoge bladen’. En daar ligt gevaar op de loer. ‘Daarmee creëer je een ongewenst soort competitie tussen onderzoekers onderling,’ stelt Smeets.

Verrassende resultaten halen sneller de media, die zijn interessanter. Maar daardoor worden er ook te snel conclusies op het publiek afgevuurd. Ik snap dat dat voor consumenten verwarrend is.

En dat niet alleen, er ontstaat ook een scheef beeld in de literatuur. Deze zogenoemde publication bias heeft een effect op de beeldvorming in de populaire media en daarmee dus op het beeld dat consumenten krijgen van de wetenschap. Resultaten die niet altijd robuust zijn, worden vaak in een veel te vroeg stadium verkocht als waarheden, stelt Van Kleef. ‘Verrassende resultaten halen sneller de media, die zijn interessanter. Maar daardoor worden er ook te snel conclusies op het publiek afgevuurd. Ik snap dat dat voor consumenten verwarrend is.’

Ook de wetenschap verandert

Toch zijn Smeets en Van Kleef positief gestemd. Ze stellen dat er binnen de academische wereld positieve ontwikkelingen gaande zijn. Zo is er in de afgelopen jaren in toenemende mate gebruik gemaakt van een systeem van registratie, waarin de opzet en geplande analyses van een onderzoek worden geregistreerd voordat het daadwerkelijke onderzoek wordt uitgevoerd. Smeets: ‘Dat voorkomt dat onderzoekers data oneindig blijven analyseren totdat er een interessant significant resultaat gevonden wordt. Op deze manier is helder welke analyses gepland zijn en welke exploratief [red. verkennend].

Steeds meer tijdschriften publiceren ook vaker de onderzoeken waar minder significante resultaten uitkomen. Een goede ontwikkeling, aldus beiden. Van Kleef: ‘Het is heel erg belangrijk om ook te weten wat niet werkt, anders gaat iemand anders hetzelfde onderzoek nog eens proberen. Uitkomsten van onderzoek zouden altijd moeten worden gepubliceerd, ongeacht of het resultaat verwacht was of aanspreekt.’ 

Een derde ontwikkeling is de opkomst van open science en open access: het openbaar maken van wetenschappelijk onderzoek en dit vrij toegankelijk maken voor iedereen. ‘Niet alleen delen onderzoekers steeds vaker hun opzet en resultaten, ook de gebruikte methoden en software wordt steeds meer in detail gedeeld’, zegt Smeets. Een groot voordeel hiervan is dat onderzoek makkelijker te reproduceren is, wat bijdraagt aan de betrouwbaarheid. ‘Wetenschappelijk onderzoek wordt daardoor transparanter.’