Jong talent: BOON maakt er geen potje van

687 keer bekeken

Michael Luesink, oprichter van het bedrijf BOON, is nog maar vier jaar geleden afgestudeerd aan de HAS Hogeschool. Hij had een visie: “Door het eten van bonen kunnen we mensen meer plantaardig laten eten.” Hij ziet BOON als het rebelse bonenbedrijf dat impact wil maken op het gebied van de eiwittransitie. In een paar jaar tijd heeft hij zijn afstudeerproject uitgebouwd tot een succesvol bedrijf. Rian Hanssen, tweedejaarsstudent Food Innovation en Annet Roodenburg spraken met hem over zijn ambities en innovatieve producten.

Dit artikel is een selectie uit de blogs van Annet Roodenburg. Het hele verhaal over Boon is hier terug te lezen.

Het begin

Michael Luesink, oud-HAS-student won in 2014 de HAS Foodmanship Award met zijn afstudeerproject BOON. Dat was het begin, vertelt Michael: “Als je een prijs wint, sta je veel in de belangstelling. En mag je je verhaal vertellen, aan kranten en foodmagazines.” Michael werd meteen benaderd door veel (bonen)bedrijven die potentieel zagen in zijn afstudeeropdracht. Hij heeft de meesten wel gesproken, maar besloot toen toch zijn eigen bedrijf te starten. Omdat dat de beste route was om te bereiken wat hij voor ogen had met BOON.

Het grootste voedselvraagstuk

Michael: “Ik wilde me richten op misschien wel het grootste voedselvraagstuk: de eiwittransitie. Hoe gaan we de wereld voeden in de toekomst? Ik had een visie”, vertelt hij. “Door het eten van bonen kunnen we mensen meer plantaardig laten eten. Met verleiding en innovatie als sleutels tot succes.” In 2014 waren bonen nog saai, zaten in potten of blik. Michael zag kweekvlees, insecten, zeewier voorbij komen, als alternatieve eiwitbronnen. Maar dat roept allerlei weerstand op. Terwijl bonen niet alleen duurzaam, maar ook heel herkenbaar zijn, dus helemaal niet eng.

Het herstel van de eiwitbalans

Zo noemt hij het liever, geen eiwittransitie. In de jaren 50-60 aten we 30 kilo vlees per Nederlander per jaar. Nu zitten we ongeveer op 80 kilo. Volgens Michael hoeven we niet echt iets nieuws te doen om de balans weer te herstellen en meer plantaardig te eten.

Veel verschillende producten

Sinds de start van het bedrijf heeft BOON al 20 producten geïntroduceerd. Dat is best veel. In verschillende productcategorieën. Vleesvervangers, Michael noemt ze liever ‘vleesopvolgers’ zoals een chiliburger, falafelburger, bonenballetjes; componenten voor makkelijke maaltijden, zoals chili of curry voor bij de rijst of een burrito. En nieuw zijn de bonensnacks, zoals een broodje ‘bonen Bapao’.

Het spel met de supermarkt

De ‘Bonen Bapao’s’ liggen sinds juni in de Plus en Jumbo. De Albert Heijn heeft alleen de bonenburgers. Hoe werkt zoiets? Michael legt uit: “Supermarkten maken schappenplannen. Je wilt natuurlijk in de hoogste distributie zitten. Wij horen vaak: ‘het schap is niet van elastiek’. Ze moeten dus keuzes maken en vooral met nieuwe producten zeggen ze vaak: laten we starten in een paar honderd winkels en als het goed gaat, krijg je vanzelf meer ruimte.” Dit spel met de supermarkt heeft hij pas na zijn studie geleerd.

Positieve problemen

Toen we elkaar spraken lagen de Bonen Bapao’s net 4 weken in de winkel. Michael: “Mensen stoppen na hun studententijd met het eten van Bapao. We wilden een iets meer volwassen product maken en zetten in op groente consumptie. We krijgen veel positieve klantfeedback en de rotaties zijn hoog (er wordt dus veel verkocht): Normaal gesproken spreek je af om 2x in de week te leveren aan de Jumbo. Maar in eerste week was het meteen 8x. Dan moet iedereen iets harder rennen, maar dat zijn positieve problemen.”

Nederland, bonenland?

Michael wil precies weten wat er allemaal in zijn producten gaat. De bonen haalt hij liefst van dichtbij. Hij bezoekt zelf de boeren en ziet de bonenplanten groeien. Honderd jaar geleden was Nederland nog echt een bonenland, weet Michael. Noord Holland was trots op zijn krombekbonen, de kapucijners kwamen uit Brabant en de bruine bonen uit Zeeland.

Waarom moeten we al onze bonen van ver weg halen, als we ze heel goed dichtbij kunnen telen?

Transparant belangrijker dan biologisch

Tachtig procent van de bonen voor BOON komen uit Nederland. “Waarom moeten we al onze bonen van ver weg halen, als we ze heel goed dichtbij kunnen telen?”, vraagt Michael zich hardop af. Een deel van de boeren die aan BOON leveren telen biologisch. “Hier is maar heel weinig biologische landbouwgrond. Wij stellen strikte eisen aan onze telers,” legt Michael uit. “Maar dat is niet precies gelijk aan biologisch telen. Wij vinden het belangrijk dat we weten hoe de boeren met hun landbouwgrond omgaan. De boeren moeten hierin transparant zijn. Dat vinden we belangrijker dan biologisch. Veel biologische bonen komen van ver. Wij geven de voorkeur aan niet biologische bonen uit Nederland waarvan we goed weten hoe de boer ze heeft geteeld boven biologische bonen uit bijvoorbeeld China.”

Geen keurmerken

Michael gelooft niet zo in keurmerken. “Het past niet bij ons bedrijf,” vindt hij. “Er zijn zoveel keurmerken! Als wij ze niet begrijpen, hoe kan de consument het dan wel begrijpen? Geloof je zelf in keurmerken?” vroeg hij mij. “Je bent bij het Vinkje betrokken geweest?”. Ik geloof er wel in. Hoewel ik het wel eens ben met Michael dat er verwarrend veel keurmerken zijn. Maar ik denk dat het consumenten gemakkelijker maakt te kiezen. Het grootste effect zit hem naar mijn idee vooral in de producenten, die hun best moeten doen voor een keurmerk. Hierdoor wordt het productaanbod duurzamer of, in het geval van het Vinkje (toen dat nog bestond): gezonder.

Verder lezen over de toekomstplannen van BOON? Lees het vervolg op de blog van Annet Roodenburg.

Foto's: Instagram BOON boonbonen